22-06-10

DE LEEGTE OM ONS (EN IN ONS)

b-m-1071


Soms denk je dat het onderwerp zelf de fysica van het beeld aantast zoals in dit schilderij dat aan Charles Marie Bouton (1810) wordt toegeschreven. De leegte heeft zelfs het canvas aangevreten.

Natuurlijk besef ik dat velen onder jullie tijdelijk in dergelijke leegte verkeren wegens examens en dito, anderen beginnen nu net opnieuw en voor nog anderen is het academiejaar begonnen of zitten ze er midden in terwijl een groot gedeelte van de zogenaamde cursisten zich met kunst bezig houden op praktische of persoonlijke manieren.  Dat is het mooie van onze lezingen, ze gaan de wereld rond, mijn aula is inderdaad een klein scherm, meestal één persoon die je kunt aanspreken, of een groepje dat over sommige standpunten een debat wil houden.

Stap over die leegte heen, want ik wil je in deze lezing meenemen naar de leegte die sommige tijden eigen is.

In zijn autobiografie schrijft Jung dat het leven niet door de wetenschap is te bestuderen maar dat je een mythe nodig hebt om het in de diepte te begrijpen. Een door mij net zo geliefd persoon, Lou Salomé schrijft als eerste zin in haar autobiografie dat onze eerste ervaring  opmerkelijk genoeg die van 'verdwijning' is.

'Een moment daarvoor waren wij nog alles en niet gescheiden en al het zijn was onlosmakelijk met ons verbonden.'

Ik gebruik de vertaling die ik in het opmerkelijke boek van Joke J. Hermsen las 'Heimwee naar de mens', Arbeiderspers, Antwerpen, A'dam 2003.

(Vakantielectuur nodig?  Schaf je dan dit boek aan, waar je ook ter wereld verblijft of zult verblijven.  De helderheid waarmee de schrijfster zonder al te veel drukte deze eerder droefgeestige titel verwoordt, verbindt je met zoveel denkers en dichters die je sterken en het vraagteken van de titel zachtjes wegvegen en in puntjes puntjes veranderen.)

Ik ben geen boekbespreker, lees het dus zelf, herlees het, ga op zoek naar namen en geschriften die zij citeert en je zult begrijpen wat ik bedoel.

Hoe nu de leegte van de vervallen kerk verbinden met het definitief gescheiden worden van die eenheid die ons als pril kind met het leven verbindt? Laten we Rilke, goede vriend van Lou Salomé, aan het woord in zijn vierde elegie:


'O uren van de jeugd, toen achter de figuren méér school dan enkel verleden, en niet voor ons de toekomst lag.  Zeker, wij groeiden op; maakten soms haast snel groot te zijn, onwille ook van hen die niets meer hadden dan alleen het groot zijn.'

Het verbrokkelen van de religie -als ze al niet achter het scherm van de grote godsdienstigheid verbrokkeld was- maakte ons nog banger van het toekomende, inzonderheid de dood.

Ik keer terug naar Joke Hermsen:

'In Tagebuch eines Jahres(1911) wijdt Salomé een lange paragraaf aan het besef van eenzaamheid en verlatenheid dat kinderen zich heel geleidelijk eigen maken. Deze eenzaamheid is bepalend voor hun verdere bestaan, vormt er als het ware de basis van.  Behalve het gevoel van verlatenheid treft jonge kinderen nog een tweede lot.  Nu ze zich kunnen realiseren dat ze bestaan, begrijpen ze ook dat ze er een gegeven moment niet meer zullen zijn.  De groeiende angst voor de dood die hieruit voortkomt, vervreemdt hen langzaam maar zeker van het hier en nu.  Steeds meer zullen zij proberen de toekomst beheersbaar te maken.  Ze zullen zich tegen al het mogelijke gaan verzekeren om de dood zo ver mogelijk van zich weg te houden.'

(pagina118-119)

Het zal je niet verbazen dat Lou Salomé een grote vriendin was van Freud en van zijn dochter Anna.  Dit is wel eens meer dan één keer weggemoffeld maar de psychoanalyse werd een deel van haar leven en via die blik begrijp je haar interpretaties beter.

Zo kom ik terug bij Jung (hoe onverzoenbaar hij ook leek met zijn leermeester) en de stelling dat je een mythe nodig hebt om het leven te bestuderen waar de wetenschap zich onmachtig voelt in haar beschrijvende mogelijkheden. Jung herinnert zich vooral de innerlijke ervaringen waarin de onveranderlijke wereld in de vergankelijke wereld inbrak, om zijn eigen woorden te gebruiken. Je zou die onveranderlijkheid met de eenheid van de vroege kindertijd kunnen laten samenvallen, het verhaal als biografie in die zin dat de verteller genoeg personages en gebeurtenissen kan samenbrengen om die innerlijke ervaringen gestalte te geven.

K1654


Hier zijn we bij Bellini in zijn wonderlijk en veel bediscussieerd schilderij 'Jezus daalt af in de hel'.  Volgens de traditie zou Jezus na zijn dood in de hel zijn afgedaald om de oud Testamentische heiligen te bevrijden. Je ziet hem in het schitterende witte kleed de donkere poort binnengaan.  De goede moordenaar staat er met zijn kruis, Adam en Eva zijn al bevrijd en nog een man drukt zijn handen tegen zijn oren om het getoeter(jawel!) van de duivelse krachten boven hem te verdragen.

Ik denk dat het een deel van de mythe is die we zoeken. Het herstellen van die eenheid, verlost te zijn van de tijd, de schuld, de erfzonde om het Licht te kunnen binnengaan.  Al die Oud Testamentische 'heiligen' kunnen de wrekende god die zij gekend hebben vergeten in de liefdevolle figuur van Jezus die hen naar het paradijs zal voeren.  We kennen dat paradijs al zal zich dat bij de meesten nog eerder vertalen in het winnen van de lotto dan in het ervaren van dat werkelijke Licht, maar de schakeringen maken het verhaal alleen maar waardevoller.

Ik denk dat onze mythe in de kunst is te vinden, literatuur, beeldende kunsten.  Musil noemt literatuur trouwens 'mystiek bij klaarlichte dag', want daarin verkennen we op een andere manier de emotie, de reflectie, de ervaring.  Inge Bachmann, filosofe en dichteres zegt over literatuur dat ze uitdrukt waar we staan en waar we zouden moeten staan. De dingen waar nog niet toegekomen zijn om een veelduidig woord te gebruiken.

Ten onrechte verweten Franse filosofen ons dat de verhalen zijn verteld.  De oude verhalen zijn inderdaad uitverteld al zal het raamwerk hetzelfde blijven.  Maar die verzuchting duidt meteen de leegte aan waarin we ons (denken te) bevinden. We hebben geen religie, geen oude mythes meer, we hebben nog de kunst maar die is inderdaad nogal eens narcistisch bezig.  Partijen vallen uit elkaar, nieuwe profeten zijn vlug vermoeid en we trekken onze tenten op in de woestijn waar we van allerlei manna denken te kunnen leven dat een primaire beeldenstroom ons dagelijks schenkt maar die ons tegelijkertijd van de werkelijkheid in ons vervreemdt.

We leven niet meer in het geborgene want we hebben dit woord als vals ontmaskerd, of verwisseld met het 'verborgene' en de laatste steen zal moeten bovenkomen ook al valt daarmee het hele gebouw in elkaar, de waarheid heeft zo zijn rechten, zeggen we. Het is een tijd van afrekenen, van oude koeien en kruistochten tegen vermeende samenzweringen en netwerken. Kranten en andere nieuwsmedia zijn 'gebeten' om te weten, maar wat ze met dat aangebeten wild gaan doen blijft een open vraag als je historische werkelijkheden of omstandigheden ontkent.  De mythes worden ook hier grondig opgeruimd en je zult het geweten hebben als je tussen het groot huisvuil wordt meegevoerd naar de afvalberg die steeds hoger wordt naarmate we het 'verborgene' denken open te splijten met een drift die dringend psychoanalytisch mag bekeken worden. Begrijp me niet verkeerd: het heimelijke is een beter begrip om te bestrijden, terwijl het verborgene ook wel eens een noodzaak is om zich gedeisd te houden in een koude die we met zijn allen zelf geschapen hebben. Nuances aub.

Wantrouwen, klassering, verspreiding van de meest onnozele geruchten, de snelheid waarmee het nieuws -of wat daarvoor doorgaat- over onze hoofden raast laat geen enkele controle toe, geen wederwoord, geen omkadering noch duiding.  Wie niet weg is, is gezien.

In de publiciteit gaat het over 'zuiverheid', 'lang en gezond leven' over al die driften die ons aanzetten om zeker niet bang te zijn van het eindige terwijl elke slagzin het uitroept van angst.  Geen Detol, geen eten!

Bange mensen zijn inderdaad gevaarlijk.  Ze scheppen nog meer leegte dan de leegte waarvoor ze bang zijn.  Ze willen in een naiïeve regressie terug naar de babytijd waarin we het centrum van de wereld zijn zonder 'ik' te moeten heten. Alles is uitgegraven, elke gebeurtenis van de bekenden staat in de boekjes, niets zal nog verborgen blijven, intimiteit is gevaarlijk en zondig. Los op. Verdwijn.

b-m-988

De tijden van en na Dutroux zijn zo vreselijk omdat we in een emotionele lege denkruimte leven, en die leegte vraagt om uitvergroting van alle op zichzelf al vreselijke details.Het verweer dat nuance heet, bestaat niet meer.  Leegte. Lege huizen, lege kamers, lege kinderen, leegland.  Het discours dat in de jaren zestig zo hevig had gewoed is ingenomen door economische werkelijkheden (realpolitiek) terwijl het religieuze steeds verder afbrokkelde.  Wat mensen als normvervaging gingen zien is in feite een groot tekort aan normbevraging.

Leegte.  In het politieke discours was het Vlaams Blok opgestaan met geroep om veiligheid, eigen volk, kortom met een overschot aan vijandbeelden die als zware zwarte balonnen boven onze hoofden gingen hangen en die vreselijk zouden gaan stinken als iemand ze zou doorprikken.  De 'muur' verdween, ook daar verdampte een vijandbeeld, er kwam een zekere rust in Midden- en Zuid Amerika, de Balkanoorlogen waren nog even weg, maar ook zij zouden door een tekort aan coherentie uitbarsten en waarmaken waar wij hier zo bang voor waren.

Leegte.  Met de vreselijke gebeurtenissen rondom Dutroux overstroomde die leegte door hysterische fantasiebeelden, begonnen er kruistochten tegen elke vorm van liefde buiten het boekje.  Graafwerken, netwerken, comissies, witte marsjen, ze verzopen het verweer dat op wetenschappelijke nuances stoelde.  Er werd in die overgelopen leegte veel gezwegen.  Tegen beter weten in.

Leegte.  Je vindt dergelijke lege tijden op meer plekken terug in de geschiedenis, zeker bij veranderingen van regimes, bij verschuivingen.  Denk aan de periode einde 19de eeuw tot het begin van de eerste wereldoorlog die volgens velen 'zuiverend' zou werken.

Wat we verborgen was onze eigen fascinatie voor het kwade, want die fascinatie werkt altijd en overal. In het Grieks is er een woord voor dergelijke fascinatie.  Deinon.  Hetgene je overweldigt maar ook fascineert.  Tremendum et faciosum.  Je staat te bibberen op je benen maar tegelijkertijd ben je onder de indruk.  Als je dat gevoel éénlagig bestudeert kom je uit bij 'het boze', maar in het goede zit telkens weer het boze gevat en omgekeerd.  Alles is doortrokken van zijn tegendeel.

Wij denken thuis te zijn in een technische wereld maar de verhouding tot het zijn (onze eigenlijke woning) zijn we vergeten.  Dus moet je zo moedig zijn om met Heidegger die Durchgang ducrch die Fremde te maken om weer 'heimisch' te worden.  Nu maken we grote bochten zogezegd om het boze te ontwijken, maar terwijl we politiek correctheid uitstralen hebben we geen dak meer boven het arme hoofd.

Een mooie tijd dus om te herlezen, om te denken, om terug te keren op onze stappen mocht dat nodig blijken, maar vooral om moedig vooruit te gaan in die leegte.  We zijn niet alleen. Odyseus reist al eeuwen met ons mee, op weg naar huis.


1973_11

21:11 Gepost door geen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

14-06-10

DE DENKBEELDIGE GEVAREN VAN DE ALLEGORIE

WRETEN


Toen ik deze morgen in de online versie van ‘De Morgen’ de titel las dat de heer De Wever de mededingers had opgepeuzeld, kwam mij het hierboven afgedrukte beeld van Goya dadelijk voor de geest.

Er wordt nogal vlug naar ‘monsterscores’ verwezen, opnieuw een beeld dat niet dadelijk iets met een ruiterlijke competitie te maken heeft. Overigens, zijn verkiezingen ruiterlijk?

De allegorieën zijn eerder voorspelbaar, stilistisch ondermaats en vaak een herhaling van wat anderen hebben opgeworpen.
YDS van diezelfde krant heeft het over de staart die zelf een hond is geworden, de kers op de taart, er wordt uit de doden opgeroepen, voedstervaders van het succes, de ‘Icarus’-generatie naar het zeggen van De Wever zelf.

Ik kreeg van jullie betere beelden ingestuurd:  de haan op de leeuw als de Brussel (bremer) stadsmuzikanten, de goedgelovigen die massaal naar predikant BDW opkijken, het wereldkampioenschap voetbal waarin de mix van rood en geel toch weer oranje op het voorplan brengt, de SP onder de gespreide vleugel van een haan met strikdasje, die hen tegen het gebrul van een ontketende leeuw denkt te beschermen.  Vrolijke vrolijke vrienden door een koortje waarin je de ‘grote’ Vlaamse partijen terugvindt,  terwijl Elio (als nonkel Bob) de maat slaat, enz., enz.
Ikzelf las dat de laatste opvoering van de ‘sound of music’ samenviel met de verkiezingsdag, en zag daar toen in gedachten heerlijke beelden bij waarin de tirolerkledij en de hang naar fatsoen en orde de boventoon haalde (de wraak op de 68-gers, een geliefkoosd thema van BDW) op de kinderpakjes uit gordijnstof. 
Allegoria in factis dus.

Wie het met dat laatste ook moeilijk had waren de protestantse exegeten wanneer ze over het oude testament spraken waar vaak de katholieken dit oude testament als een soort voorafspiegeling, een schaduw, een allegorie, zagen voor het nieuwe testament. (en dat gold zowel voor de allegoriae in factis als in verbis).
Ik gebruik daarvoor het boeiende opstel van Max Engammare in de eerder geciteerde verzameling ‘Le noyau et l’ écorce’.
De ark van Noach als symbool voor de Kerk, en het hooglied als een dialoog tussen de Christus en de Kerk. Dat vraagt inderdaad enig decodeerwerk.
Sommige commentatoren zagen de allegorie als een ‘machina’ die de ziel dichterbij God bracht.  Ik citeer Gregorius de Grote ‘ De allegorie biedt aan de ziel, nog van God verwijderd, een werktuig aan die haar naar Hem doet opstijgen.
Andere, vooral middeleeuwse commentatoren zochten in de allegorie een middel om de tekst een spirituele dimensie te geven.
Zo gebruikte Erasmus altijd de allegorie als een soort Augustijnse traditie om een op het eerste gezicht absurde of immorele bijbeltekst te legitimeren.

Luther had het niet zo op de allegorie begrepen: ‘cavete ab allegoriïs!’
‘Ik allogerisseerde als monnik alles,’ schrijft hij.
In een reeks lessen  over het Hooglied die hij tussen maart 1530 en juni 1531 hield, lezen we  via de notities van Veit Dietrich (in 1539 gepubliceerd als boek) wel een heel origineel standpunt omtrent deze bijbeltekst.  Luther ziet het Hooglied als een boek dat Salomon schreef om over politiek en bestuur  van zijn Staat te praten.
Ik raad degenen aan die onbekend zijn met deze prachtige erotische tekst, hem nu eerst aandachtig te lezen vooraleer je mijn betoog vervolgt.

‘Salomon zingt over al deze dingen (bestuur en Staat) niet met de gewone bekende woorden die men daarvoor gebruikt, maar hij illustreert en decoreert zijn betoog met prachtige uitdrukkingen en beelden; zo zal het volk, als ze hem horen, vermoeden dat het over iets heel anders gaat.  De koningen en de prinsen  hebben zo de gewoonte om liefdesliederen te componeren en uit te voeren waarin het volk de liefde van een echtgenote of een vriendin denkt te zien waar ze in feite het bestuur en de Staat en het volk bedoelen.’

0024-0069_allegorie_der_skulptur

In Luthers mond is het Hooglied een boek geworden dat het volk niet kan begrijpen , of waarin het slechts een artificiële amoureuze betekenis ziet waar de echte betekenis een politieke is, iets wat alleen de leidende elite snapt.

Zo beweert Luther dat het boek bij de Joden slechts vanaf dertig jaar kon gelezen worden niet omdat de jongeren erdoor zouden verleid worden, maar omdat ze de ‘politieke waarden’ niet zouden kunnen evalueren in dit geschrift, jeugd trouwens die er geen benul van heeft  hoe mensen worden bestuurd.’

Calvijn daarentegen waarschuwt gewoon tegen de slechte interpretatie van allegorismen zoals hij de ware betekenis van de parabel van de barmhartige Samaritaan toelicht:  de overvallen en beroofde mens leeft nog half en half, schrijft hij als een soort paradigma van de door de erfzonde dodelijk gekwetste mens, maar er blijft nog leven in hem over, de eigen vrije wil.

Zo noemt hij de liefde tussen man en vrouw in het Hooglied de liefde tussen de Kerk en God.  Hij gebruikt de allegorie dus wanneer ze hem van pas komt.

Ook bij Martin Bucer, de hervormer van Straatsburg, krijgt de allegorie ervan langs:

‘Or ce conseil que nous devons reculer des mots, nous a apporté ce beau chariot à quatre rouës, s’il faut ainsi parler, à savoir ces quatres façons de interpreter l’ Escriture.  Allegorique, Anagogique, Moral et Historique.  Et de cela est advenu que desja dés long temps beaucoup de gens se meslans d’ expliquer l’ Escriture, de chacune chose en ont pris pour en dire à leur fantasie.’

Hij wil dus niet aan boord van deze vierwieler, maar hij raadt zijn lezer aan zich door de heilige Geest te laten inspireren als het om stijlfiguren gaat.

Als Théodore De Bèze het over het Hooglied heeft, verklaart hij in zijn sermoenen over de drie eerste hoofdstukken van deze tekst, waarom het nooit in de kerk van Genève is gebruikt.
Eerst en vooral  onwille van zijn ‘grande obscurité de ce sainct  poeme du tout allegorique’, en vervolgens omdat ‘l’ exposition des  allegories est hazardeuse et mesme dangereuse, si on n’y apporte un esprit tres religieux et bien fondé et versé és escriptures.’ En ten derde sommigen hebben ‘mal compris les saintes delicatesses et, par maniere de dire, mignardises de plusieurs propos tenus entre cest Espoux et ceste Espouse.’

De schrik des vlezes hangt vaak samen met de schrik voor het beeld en natuurlijk voor het land van de ver-beelding.
De allegorie is uiteraard een schuilplaats voor naaktere figuren dan de tentoonstelling van het werkelijke leven, dat is mooi meegenomen zou je kunnen zeggen.
Maar wie het spirituele wil bereiken zal die -vermoed ik- net zo goed vinden in de schoonheid van dat wat des vlezes is, en er inderdaad sneller de betrekkelijkheid van leren inzien.
Heel wat pornografische verlangens werden eerder uit taboes dan uit vrijmoedigheid geboren.  Maar dat is dan weer een ander verhaal:  nu aan de lectuur van dat prachtige Hooglied! En er staat inderdaad wat er staat.
Met het in stukken hakken en elkaar opwreten hebben noch de Kerk, noch de wereldlijke machten dezelfde bezwaren gehad.  Vreemd toch.

 

465px-Bronzino_Allegory_of_Happiness

(Bronzino' s allegorie van het geluk: zoek maar uit wie wat wanneer waarom)

20:23 Gepost door geen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

09-06-10

BEELDEN LEZEN: PERSONIFICATIES EN DIES MEER



vrouwe jus



Je zou kunnen zeggen dat in de geschilderde allegorie, de verpersoonlijking een van de eenvoudigste vormen is om een abstract begrip (zoals justitia bijvoorbeeld) te concretiseren door middel van een persoon.
Abstractie immers verhindert vaak de inleving.  Het woord ‘verpersoonlijking’ is echter vrij laat in onze woordenschat doorgedrongen. (personam pingere)
Zo lees je in de 'Dictionnaire françois' van Pierre Richelet slechts in de tweede editie van 1732 deze definitie:

‘Personnifier (personam pingere). L’ usage de ce mot n’ est pas grand.  Il signifie seulement parler des choses ou des qualitez comme si c’ etoient des personnes.
(Les Poëtes ont personnifié toutes les passions, comme l’envie, la vengeance, la gloire, la fortune, la discorde, le sommeil &c.)

In de literatuur -en dat is het gemeenschappelijke met de allegorie- is de personificatie niet enkel decoratie, ze is nodig om een abstractie op het toneel te brengen.
Zo zal dus ook de schilder haar als een persoon voorstellen.

‘Avec la personification, il ne  se sagit plus de dire autre chose (aliud dicere) comme fait l’ allegorie, mais de dire autrement (aliter dicere)
(Colette Native, ibidem)

En net zoals in de allegorie onderstelt de personnificatie  een systeem van het tegenovergestelde.  Het is immers het in verband brengen van verschillende elementen  waaruit we de betekenis afleidden.

Tzvetan Todorov:
‘l’ allégorie ne saurait se réduire à une figure microstructurale.  C’ est uniquement le macrocontexte qui signale en qui impose le caractère figuré du discours allégorique.’

Meestal is het een vrouwelijke figuur die de personificatie uitbeeldt en ze is herkenbaar aan een aantal attributen die de kijker toelaten haar te identificeren.
We zijn niet ver van de rebus verwijderd want door middel van objecten wordt een betekenis duidelijk gemaakt.

Om hun personificaties uit te werken beschikten de artiesten over een overvloedige literatuur- encyclopedisch van symbolen, boeken met emblemen, en iconografische manuelen waarvan de beroemdste die van Ripa. (Rome 1593, en zeker de tweede editie met meer afbeeldingen van 1603)
Ik citeer nog tot vreugde van degenen die graag opzoekingen doen ‘I Commentaria symbolica, Venetië 1591 van Antonio Ricciardi,  en La apprresentatione di Anima, e di Corpo van Agostino Manni en Emilio de’ Cavalieri , waarop ik later nog zal terugkomen.


allegorie_von_friede_kunst_und_reichtum

(hierboven allegorie van vrede kunst en rijkdom, Hans von Aachen)


Hierin zul je vooral de verbanden tussen de allegorie en de personificatie terugvinden.
Buiten het studiewerk van deze nobele voorgangers en Colette Nativel wil ik toch nog graag enkele persoonlijke notities aan jullie voorleggen.


1. Wat is de terugwerkende kracht van deze personificaties?  Ik bedoel zowel filosofisch als puur wetenschappelijk?


Door abstracties als personen voor te stellen wennen wij (en degenen die ons zijn voorgegaan) ons aan bv. de blinddoek en de weegschaal van Justitia en gaat het gepersonifieerde beeld van een begrip kenmerken op het abstracte overbrengen die eerder behoren bij de grootste gemene deler dan bij de nuances die eigen zijn aan de werkelijkheid.
Zo spreekt men heden ten dage van DE VRT (die vandaag staakt) DE Kerk (die onder vuur ligt) HET ministerie, alsof het personen zijn die handelingsbekwaamheid hebben gekregen door hun allegorisch of personifiërend karakter.
Je kunt daardoor de werking van deze abstracties afwentelen op dat niet bestaande conglomeraat die je in die ene gepersonifieerde voorstelling zou terugvinden. 
Zo kan een verduidelijking van een abstractie door personificatie of allegorie met terugwerkende kracht een vervalsing van de inhoud teweeg brengen door haar gepersonifieerde voorstelling als een handelend iemand voor te stellen die voor de daden van het geheel verantwoordelijk zou zijn.

Breng je dat naar de ethica dan is bijvoorbeeld (volgens sommige onbevlogen geesten)' de tijd' van de jaren 68 verantwoordelijk voor de (zogezegde) verwildering der 'zeden' van nu.  De tijd.  De zeden.  Je vindt vadertje tijd ten overvloede terug in bij de allegorische individuen (inderdaad, de tijd is een man, maar dan wel eentje van de oude soort!) en de verschillende zeden hebben een legertje aan verpersoonlijkingen die er niet om liegen.
Bij de ingezonden stukken is immers een dergelijke voorstelling een graag gezien middel om de kwalen van deze tijd gestalte te geven.  DE misdaad, DE jeugd van tegenwoordig.
Het is een bedenking die jullie aandacht verdient en waarop ik graag jullie ervaringen als antwoord kreeg.

2. Anderzijds zijn het vaak heel gewone mensen die in de beeldende kunst als portrettering van een deugd of ondeugd dienst doen.  Ik denk aan Abraham Bloemaert die de ‘Avaritia’ in het portret van Die geizige Alte wegsteekt.  Dat zijn subtiliteiten die vaak dienen om onderhuids commentaar te geven op het toen geldende bestel .  Je mocht dus niet al te duidelijke allegorische voorstellingen maken om de kijker (machthebber) niet te schokken maar je kon ze vermommen in heel gewone dingen en mensen die voor de goede verstaander niet veel meer commentaar nodig hadden.Het zou echter ook een mooie studie zijn om vanuit deze redenering bepaalde volkstypes of gewoonten te gebruiken voor stereotypes die dan later hun eigen leven gaan leiden.Ik geef maar de aanzet en laat het aan jullie vruchtbaar werk over om ons van prenten en duiding te voorzien


3. De stekelige kanten van de spotprent vinden uiteraard in de allegorie en/of de personificatie een dankbare gelegenheid om hun boodschap duidelijk te maken.
Ook hier is vermomming mogelijk en blijkt het beeld vooral niet te zijn wat het zogezegd zou voorstellen.  Een boeiend onderwerp dat we in andere eeuwen nog sterker zullen ontmoeten, maar de teksten bij de zwaan, het ei en de hond laten vermoeden dat wakkere burgers het beeld zullen gebruiken om de machtige(n) in het klassieke hemd te zetten.

Tot slot:

Quintilianus speelt met twee mogelijkheden: de vervangende typologieën (métonomie, synecdoche) en de figuren die door analogie worden gebruikt (vergelijking, metafoor, personificatie)
Het zet ons op weg om met meer smaak en attentie te kijken naar wat de heren (en helaas te weinig dames) aan beelden aan ons hebben nagelaten en die wij vaak tot op deze dag nalieten ‘serieus’ te lezen.
Maar daar komt verandering in, hopen we.
Dat smaak en verfijning te maken hebben met intense arbeid, mag jullie en mij ook duidelijk zijn. Het onderste prentje is van Titiaan.  Allegorie van?  Ah ja?  En waarom?

 

Titian_-_Allegorie_der_Zeit

17:46 Gepost door geen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

07-06-10

BEELDEN LEZEN: DE ALLEGORIE

In deze politieke dagen hebben we het graag over het bekende verschijnsel dingen op het doek te tonen die iets anders betekenen dan wat getoond wordt.  Zowel in de literatuur als in de beeldende kunst is dat een methode van alle tijden.
Beter gezegd:  er is een verband tussen de productie en de receptie, maar tijdens de weg die het beeld aflegt wordt de bedoelde werkelijkheid onder een soort ‘korst’ weggeschilderd met het doel ze verduidelijken.  Of dat duidelijk is?

De allegorie dus, of hoe een zwaan geen zwaan is maar de verdediger van haar ei dat geen ei is tegen een vijand die inderdaad niet op de eerste plaats een hond zou zijn. 
Het mooie is dat Jan Asselyn (1610-1652)  een prachtige zwaan heeft geborsteld, iets groter dan dat ze in de natuur voorkomen, maar elk mens met enige dierenkennis ziet dat ze boos is, dat ze zich bedreigd voelt, de pluimpjes vliegen in het rond.
Was het de bedoeling van de schilder een zwaan te schilderen?  Ja.  Maar een of andere onverlaat heeft er later de naam van de Groot Pensionaris Johan De Witt bijgezet, het ei van de naam ‘Holland’ voorzien en de hond ‘de viand van de Staat’ genoemd. 
Of hoe een schilderij ook zonder bedoeling weer een andere bedoeling kan krijgen.
De kijker heeft op een nogal duidelijke manier de intentie van het schilderij veranderd, net zoals in oudere tijden mythes of bijbelverhalen een andere intentie kregen dan diegene die ze in den beginne hadden, in zoverre dat de psychoanalyse deze verhalen in het onbewuste van de patiënt kon schuiven en ze dan vertaalde naar het gedrag of de afwijkingen van de lijdende mens.

zwaan kl

Mooi gezegd zou je hier van een metafoor ‘in abstentia’ kunnen spreken.
Iedere allegorie onderstelt een verwerking door de kijker die ze dan naar eigen nood of vanuit de tijd waarin hij leeft een andere betekenis kan geven.


CALOM KLEIN

Dat voorzien van tekst was hier geen alleenstaand geval.  Het was ook een methode om weinig gekende figuren van een identiteit te voorzien zoals Pieter Breugel dat doet in een tekening: ‘De laster van Apelles’ (1565) die waarschijnlijk het voorbeeld van Andrea Mantegna (1504-1506) volgde waar hetzelfde thema door Botticelli de kennis van Lucianus’ tekst onderstelt.De ‘allegorie’ is zo oud dan de literatuur, ja Homerus gebruikt ze al, laten we dus aannemen dat ze inderdaad van alle tijden is en zal blijven.

mantegna

bot klein


(Zo noemde men vroeger 2 soorten allegorie, ‘allegoria in uerbis’ en de ‘allegoria in factis’.
Deze laatste gebruikt niet alleen een exspressiewijze maar ook een receptie-methode: niet alleen de versiering van het discours telt, maar het geven van meer betekenissen is het hoofddoel.
‘Le lecteur cherche dans le texte au-delà de la lettre (littera ou historia), un sens “caché” (allegoricus ou mysticus)’  (Colette Nativel in haar voortreffelijk opstel ‘Quand l’ écorce révèle le noyau.  Les peintres et l’ allégorie à la Renaissance, het eerste van een serie opstellen over dit onderwerp, Collection d’Histoire de l’art de l’ Academie de France à Rome, Rome, Paris 2009)

Iets zeggen (of laten zien) en iets anders dan het gezegde (of getoonde) laten begrijpen.
Cicero  beschrijft dit proces in zijn ‘Orator’:

‘cum fluxerunt continuae plures tralationes, alia plane fit oratio; itaque genus hoc Graeci applant allègorian nomine recte.’

De verandering in het discours is te wijten aan een onafgebroken samenkomen van verschillende metaforen, een figuur die de Grieken ‘allegorie’ noemen.

Ze wordt door Quintilianus gevolgd:

‘Allegoria, quam inuersionem interpretantur, aut aliud uerbis, aliud sensu ostendit, aut etiam interim contrarium.  Prius fit genus plerumque continuatis tralationibus.’

De allegorie die door ‘inuersio’ vertaald wordt, toont ofwel iets aan door woorden, of door de betekenis, of zelfs soms door het tegengestelde.  Het eerste genre gaat meestal aan een vervolg van metaforen vooraf.

Hij neemt als voorbeeld een vers van Horatius waarin het schip een metafoor is om de Staat aan te duiden. (te verzinnebeelden klinkt nog beter)

‘O nauis, referent in mare te noui
fluctus. O quid agis? Fortiter occipa
portum’

(Schip! Nieuwe golfstromen zullen je nog meenemen
naar de zee. Wat doe je? Keer resoluut terug
naar de haven.)

Er bestaat in feite tussen de retorische allegorie en de picturale allegorie een omgekeerde symmetrie.  De eerste gaat van het abstracte naar het concrete, van het woord naar het beeld, de tweede volgt de omgekeerde weg en stelt het abstracte voor  door vanuit  het beeld te vertrekken.
Om het met Colette Nativel samen te vatten:
‘Dans un cas, l’allégorie fait image pour éclairer le sens, dans l’ autre, elle fait le sens.’

Als de allegorie een spel met de betekenis is omdat ze iets anders voorstelt dan wat ze daarna zegt werkelijk voor te stellen dan is ze ook een versiering.
Quintilianus klasseert ze tussen de figuurlijke uitdrukkingen  die ‘een verandering zijn waarmee de betekenis van een woord of een uitdrukking wordt verbeterd. (Tropos est uerbi uel sermonis a propria significatione in aliam cum uitrute mutatio)
Bij die verheldering van de betekenis voegt hij nog eens het zoeken naar schoonheid toe. (haec modo in his adnotase contenti, quosdam gratia significationis, quosdam decoris adsumi.)
Deze zoektocht naar de schoonheid is voor hem het enige doel van sommige zinnebeelden.
Zowel voor Cicero als voor Quintilianus moet de allegorie de coherentie en de klaarheid als doel hebben.
Je zou hier kunnen zeggen:  de leesbaarheid van het doek, de helderheid van het verhaal.
Dat zal het onderwerp zijn voor een volgende stap waarin de gemengde allegorie het voorwerp van onderzoek is als we het over de schilderkunst hebben.

Of we zelf allegorieën gebruiken?
Meer dan je wel denkt.
Zoek maar eens in de kranten met wie of wat politici, programma’ s en regeringen vergeleken worden.
Of ze net zo fijnzinnig zijn als Quintilianus bedoelde?
Dat is een andere vraag waarop jullie het antwoord kennen.

15:50 Gepost door geen in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

Alle berichten