14-06-10
DE DENKBEELDIGE GEVAREN VAN DE ALLEGORIE

Toen ik deze morgen in de online versie van ‘De Morgen’ de titel las dat de heer De Wever de mededingers had opgepeuzeld, kwam mij het hierboven afgedrukte beeld van Goya dadelijk voor de geest.
Er wordt nogal vlug naar ‘monsterscores’ verwezen, opnieuw een beeld dat niet dadelijk iets met een ruiterlijke competitie te maken heeft. Overigens, zijn verkiezingen ruiterlijk?
De allegorieën zijn eerder voorspelbaar, stilistisch ondermaats en vaak een herhaling van wat anderen hebben opgeworpen.
YDS van diezelfde krant heeft het over de staart die zelf een hond is geworden, de kers op de taart, er wordt uit de doden opgeroepen, voedstervaders van het succes, de ‘Icarus’-generatie naar het zeggen van De Wever zelf.
Ik kreeg van jullie betere beelden ingestuurd: de haan op de leeuw als de Brussel (bremer) stadsmuzikanten, de goedgelovigen die massaal naar predikant BDW opkijken, het wereldkampioenschap voetbal waarin de mix van rood en geel toch weer oranje op het voorplan brengt, de SP onder de gespreide vleugel van een haan met strikdasje, die hen tegen het gebrul van een ontketende leeuw denkt te beschermen. Vrolijke vrolijke vrienden door een koortje waarin je de ‘grote’ Vlaamse partijen terugvindt, terwijl Elio (als nonkel Bob) de maat slaat, enz., enz.
Ikzelf las dat de laatste opvoering van de ‘sound of music’ samenviel met de verkiezingsdag, en zag daar toen in gedachten heerlijke beelden bij waarin de tirolerkledij en de hang naar fatsoen en orde de boventoon haalde (de wraak op de 68-gers, een geliefkoosd thema van BDW) op de kinderpakjes uit gordijnstof.
Allegoria in factis dus.
Wie het met dat laatste ook moeilijk had waren de protestantse exegeten wanneer ze over het oude testament spraken waar vaak de katholieken dit oude testament als een soort voorafspiegeling, een schaduw, een allegorie, zagen voor het nieuwe testament. (en dat gold zowel voor de allegoriae in factis als in verbis).
Ik gebruik daarvoor het boeiende opstel van Max Engammare in de eerder geciteerde verzameling ‘Le noyau et l’ écorce’.
De ark van Noach als symbool voor de Kerk, en het hooglied als een dialoog tussen de Christus en de Kerk. Dat vraagt inderdaad enig decodeerwerk.
Sommige commentatoren zagen de allegorie als een ‘machina’ die de ziel dichterbij God bracht. Ik citeer Gregorius de Grote ‘ De allegorie biedt aan de ziel, nog van God verwijderd, een werktuig aan die haar naar Hem doet opstijgen.’
Andere, vooral middeleeuwse commentatoren zochten in de allegorie een middel om de tekst een spirituele dimensie te geven.
Zo gebruikte Erasmus altijd de allegorie als een soort Augustijnse traditie om een op het eerste gezicht absurde of immorele bijbeltekst te legitimeren.
Luther had het niet zo op de allegorie begrepen: ‘cavete ab allegoriïs!’
‘Ik allogerisseerde als monnik alles,’ schrijft hij.
In een reeks lessen over het Hooglied die hij tussen maart 1530 en juni 1531 hield, lezen we via de notities van Veit Dietrich (in 1539 gepubliceerd als boek) wel een heel origineel standpunt omtrent deze bijbeltekst. Luther ziet het Hooglied als een boek dat Salomon schreef om over politiek en bestuur van zijn Staat te praten.
Ik raad degenen aan die onbekend zijn met deze prachtige erotische tekst, hem nu eerst aandachtig te lezen vooraleer je mijn betoog vervolgt.
‘Salomon zingt over al deze dingen (bestuur en Staat) niet met de gewone bekende woorden die men daarvoor gebruikt, maar hij illustreert en decoreert zijn betoog met prachtige uitdrukkingen en beelden; zo zal het volk, als ze hem horen, vermoeden dat het over iets heel anders gaat. De koningen en de prinsen hebben zo de gewoonte om liefdesliederen te componeren en uit te voeren waarin het volk de liefde van een echtgenote of een vriendin denkt te zien waar ze in feite het bestuur en de Staat en het volk bedoelen.’

In Luthers mond is het Hooglied een boek geworden dat het volk niet kan begrijpen , of waarin het slechts een artificiële amoureuze betekenis ziet waar de echte betekenis een politieke is, iets wat alleen de leidende elite snapt.
Zo beweert Luther dat het boek bij de Joden slechts vanaf dertig jaar kon gelezen worden niet omdat de jongeren erdoor zouden verleid worden, maar omdat ze de ‘politieke waarden’ niet zouden kunnen evalueren in dit geschrift, jeugd trouwens die er geen benul van heeft hoe mensen worden bestuurd.’
Calvijn daarentegen waarschuwt gewoon tegen de slechte interpretatie van allegorismen zoals hij de ware betekenis van de parabel van de barmhartige Samaritaan toelicht: de overvallen en beroofde mens leeft nog half en half, schrijft hij als een soort paradigma van de door de erfzonde dodelijk gekwetste mens, maar er blijft nog leven in hem over, de eigen vrije wil.
Zo noemt hij de liefde tussen man en vrouw in het Hooglied de liefde tussen de Kerk en God. Hij gebruikt de allegorie dus wanneer ze hem van pas komt.
Ook bij Martin Bucer, de hervormer van Straatsburg, krijgt de allegorie ervan langs:
‘Or ce conseil que nous devons reculer des mots, nous a apporté ce beau chariot à quatre rouës, s’il faut ainsi parler, à savoir ces quatres façons de interpreter l’ Escriture. Allegorique, Anagogique, Moral et Historique. Et de cela est advenu que desja dés long temps beaucoup de gens se meslans d’ expliquer l’ Escriture, de chacune chose en ont pris pour en dire à leur fantasie.’
Hij wil dus niet aan boord van deze vierwieler, maar hij raadt zijn lezer aan zich door de heilige Geest te laten inspireren als het om stijlfiguren gaat.
Als Théodore De Bèze het over het Hooglied heeft, verklaart hij in zijn sermoenen over de drie eerste hoofdstukken van deze tekst, waarom het nooit in de kerk van Genève is gebruikt.
Eerst en vooral onwille van zijn ‘grande obscurité de ce sainct poeme du tout allegorique’, en vervolgens omdat ‘l’ exposition des allegories est hazardeuse et mesme dangereuse, si on n’y apporte un esprit tres religieux et bien fondé et versé és escriptures.’ En ten derde sommigen hebben ‘mal compris les saintes delicatesses et, par maniere de dire, mignardises de plusieurs propos tenus entre cest Espoux et ceste Espouse.’
De schrik des vlezes hangt vaak samen met de schrik voor het beeld en natuurlijk voor het land van de ver-beelding.
De allegorie is uiteraard een schuilplaats voor naaktere figuren dan de tentoonstelling van het werkelijke leven, dat is mooi meegenomen zou je kunnen zeggen.
Maar wie het spirituele wil bereiken zal die -vermoed ik- net zo goed vinden in de schoonheid van dat wat des vlezes is, en er inderdaad sneller de betrekkelijkheid van leren inzien.
Heel wat pornografische verlangens werden eerder uit taboes dan uit vrijmoedigheid geboren. Maar dat is dan weer een ander verhaal: nu aan de lectuur van dat prachtige Hooglied! En er staat inderdaad wat er staat.
Met het in stukken hakken en elkaar opwreten hebben noch de Kerk, noch de wereldlijke machten dezelfde bezwaren gehad. Vreemd toch.

(Bronzino' s allegorie van het geluk: zoek maar uit wie wat wanneer waarom)
20:23 Gepost door geen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |
Facebook |
De commentaren zijn gesloten