07-06-10

BEELDEN LEZEN: DE ALLEGORIE

In deze politieke dagen hebben we het graag over het bekende verschijnsel dingen op het doek te tonen die iets anders betekenen dan wat getoond wordt.  Zowel in de literatuur als in de beeldende kunst is dat een methode van alle tijden.
Beter gezegd:  er is een verband tussen de productie en de receptie, maar tijdens de weg die het beeld aflegt wordt de bedoelde werkelijkheid onder een soort ‘korst’ weggeschilderd met het doel ze verduidelijken.  Of dat duidelijk is?

De allegorie dus, of hoe een zwaan geen zwaan is maar de verdediger van haar ei dat geen ei is tegen een vijand die inderdaad niet op de eerste plaats een hond zou zijn. 
Het mooie is dat Jan Asselyn (1610-1652)  een prachtige zwaan heeft geborsteld, iets groter dan dat ze in de natuur voorkomen, maar elk mens met enige dierenkennis ziet dat ze boos is, dat ze zich bedreigd voelt, de pluimpjes vliegen in het rond.
Was het de bedoeling van de schilder een zwaan te schilderen?  Ja.  Maar een of andere onverlaat heeft er later de naam van de Groot Pensionaris Johan De Witt bijgezet, het ei van de naam ‘Holland’ voorzien en de hond ‘de viand van de Staat’ genoemd. 
Of hoe een schilderij ook zonder bedoeling weer een andere bedoeling kan krijgen.
De kijker heeft op een nogal duidelijke manier de intentie van het schilderij veranderd, net zoals in oudere tijden mythes of bijbelverhalen een andere intentie kregen dan diegene die ze in den beginne hadden, in zoverre dat de psychoanalyse deze verhalen in het onbewuste van de patiënt kon schuiven en ze dan vertaalde naar het gedrag of de afwijkingen van de lijdende mens.

zwaan kl

Mooi gezegd zou je hier van een metafoor ‘in abstentia’ kunnen spreken.
Iedere allegorie onderstelt een verwerking door de kijker die ze dan naar eigen nood of vanuit de tijd waarin hij leeft een andere betekenis kan geven.


CALOM KLEIN

Dat voorzien van tekst was hier geen alleenstaand geval.  Het was ook een methode om weinig gekende figuren van een identiteit te voorzien zoals Pieter Breugel dat doet in een tekening: ‘De laster van Apelles’ (1565) die waarschijnlijk het voorbeeld van Andrea Mantegna (1504-1506) volgde waar hetzelfde thema door Botticelli de kennis van Lucianus’ tekst onderstelt.De ‘allegorie’ is zo oud dan de literatuur, ja Homerus gebruikt ze al, laten we dus aannemen dat ze inderdaad van alle tijden is en zal blijven.

mantegna

bot klein


(Zo noemde men vroeger 2 soorten allegorie, ‘allegoria in uerbis’ en de ‘allegoria in factis’.
Deze laatste gebruikt niet alleen een exspressiewijze maar ook een receptie-methode: niet alleen de versiering van het discours telt, maar het geven van meer betekenissen is het hoofddoel.
‘Le lecteur cherche dans le texte au-delà de la lettre (littera ou historia), un sens “caché” (allegoricus ou mysticus)’  (Colette Nativel in haar voortreffelijk opstel ‘Quand l’ écorce révèle le noyau.  Les peintres et l’ allégorie à la Renaissance, het eerste van een serie opstellen over dit onderwerp, Collection d’Histoire de l’art de l’ Academie de France à Rome, Rome, Paris 2009)

Iets zeggen (of laten zien) en iets anders dan het gezegde (of getoonde) laten begrijpen.
Cicero  beschrijft dit proces in zijn ‘Orator’:

‘cum fluxerunt continuae plures tralationes, alia plane fit oratio; itaque genus hoc Graeci applant allègorian nomine recte.’

De verandering in het discours is te wijten aan een onafgebroken samenkomen van verschillende metaforen, een figuur die de Grieken ‘allegorie’ noemen.

Ze wordt door Quintilianus gevolgd:

‘Allegoria, quam inuersionem interpretantur, aut aliud uerbis, aliud sensu ostendit, aut etiam interim contrarium.  Prius fit genus plerumque continuatis tralationibus.’

De allegorie die door ‘inuersio’ vertaald wordt, toont ofwel iets aan door woorden, of door de betekenis, of zelfs soms door het tegengestelde.  Het eerste genre gaat meestal aan een vervolg van metaforen vooraf.

Hij neemt als voorbeeld een vers van Horatius waarin het schip een metafoor is om de Staat aan te duiden. (te verzinnebeelden klinkt nog beter)

‘O nauis, referent in mare te noui
fluctus. O quid agis? Fortiter occipa
portum’

(Schip! Nieuwe golfstromen zullen je nog meenemen
naar de zee. Wat doe je? Keer resoluut terug
naar de haven.)

Er bestaat in feite tussen de retorische allegorie en de picturale allegorie een omgekeerde symmetrie.  De eerste gaat van het abstracte naar het concrete, van het woord naar het beeld, de tweede volgt de omgekeerde weg en stelt het abstracte voor  door vanuit  het beeld te vertrekken.
Om het met Colette Nativel samen te vatten:
‘Dans un cas, l’allégorie fait image pour éclairer le sens, dans l’ autre, elle fait le sens.’

Als de allegorie een spel met de betekenis is omdat ze iets anders voorstelt dan wat ze daarna zegt werkelijk voor te stellen dan is ze ook een versiering.
Quintilianus klasseert ze tussen de figuurlijke uitdrukkingen  die ‘een verandering zijn waarmee de betekenis van een woord of een uitdrukking wordt verbeterd. (Tropos est uerbi uel sermonis a propria significatione in aliam cum uitrute mutatio)
Bij die verheldering van de betekenis voegt hij nog eens het zoeken naar schoonheid toe. (haec modo in his adnotase contenti, quosdam gratia significationis, quosdam decoris adsumi.)
Deze zoektocht naar de schoonheid is voor hem het enige doel van sommige zinnebeelden.
Zowel voor Cicero als voor Quintilianus moet de allegorie de coherentie en de klaarheid als doel hebben.
Je zou hier kunnen zeggen:  de leesbaarheid van het doek, de helderheid van het verhaal.
Dat zal het onderwerp zijn voor een volgende stap waarin de gemengde allegorie het voorwerp van onderzoek is als we het over de schilderkunst hebben.

Of we zelf allegorieën gebruiken?
Meer dan je wel denkt.
Zoek maar eens in de kranten met wie of wat politici, programma’ s en regeringen vergeleken worden.
Of ze net zo fijnzinnig zijn als Quintilianus bedoelde?
Dat is een andere vraag waarop jullie het antwoord kennen.

15:50 Gepost door geen in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten